badjas

nooit wilde ik een badjas aan
te warm liever rechtstreeks in contact
heelhuids uit het water
zonder dampkap rond mijn lijf

zo’n jas was me te grof
en liet me meermaals koud
je bent niet vrij van kronkels
als je een stoffen gevel etaleert

wees puur en proper zei ik dan
we drogen elkaar wel af
in een nachtelijk spel waarin jij
je verliest

toch komt er een moment waarop je
de gordijnen sluit en hoopt
dat er een badjas rond je middel zit
om even te weten hoe het is
als niemand je kan raken

Geen haan

Ergens in de buurt kraait een haan.
Elke dag. Als het licht wordt en weer donker.
En daartussenin. Ik weet niet waar hij verstopt zit.
Hij schreeuwt me soms wakker. En vergezelt me bij het schrijven.
Hij verbaast de kerkklokken met zijn grote klep. Ik hoor hem bij het opmaken van mijn bed. Bij het ophangen van de was. Veraf kan hij niet zijn.

Een jaar of zes ken ik hem nu.
Het is bijzonder dat hij nog steeds geluid maakt.
Dat de buurman er nog niet over geklaagd heeft.
Dat de straat nog geen actie ondernomen heeft om hem het zwijgen op te leggen.
Dat er nog steeds niet gestaakt werd.
Ik vind het best. We willen toch allemaal dat er een haan naar ons kraait?

De dag waarop hij niet meer klinkt zal me bijblijven.
Een vriend hoor je graag af en toe. Als het licht wordt en weer donker.
Ergens in de buurt kraait een haan.
Elke dag. En daartussenin.

Vandaag dacht iemand dat ik Lin heette

Die naam stond nog niet op mijn lijst.
Ik heb die iemand moeten teleurstellen.
Dat doe ik regelmatig.
Mensen vragen vaak of ze mij ergens van kennen.
Dan begint mijn molen te draaien.
Misschien die keer op café? Toen ik dat bier?
Of toen mijn boodschappentas scheurde? En alles?
Het was toch niet dat moment waarop ik huilde? Terwijl iedereen?
Of toen ik ’t mannentoilet bezocht? Omdat ik echt echt?
Nee, je hebt eens een voorstelling gespeeld.
Oef. Gelukkig.
Zeggen ze dan.
Dat doe ik regelmatig.
Zeg ik dan.

Mensen zeggen vaak dat ik hen aan iemand doe denken.
Niet aan mezelf. Zo blijkt.
Het schijnt dat ik wat dubbelgangers heb.
Zusters in crime waarmee ik ’s nachts snode plannen smeed.
Dan bedissel ik met Antje dat we onze froufrou laten groeien.
Of dan zeg ik tegen Jodie waar die tattoo juist moet.
En maar kibbelen en doen.
Ze kennen ons toch.
Ik zit soms in een serieuze identiteitscrisis.
Weet amper hoe ik heet of waar ik me van ken.
Dus volgende keer vraag ik gewoon op de man af:
Wie denk jij dat ik ben?

een vlaag van mondigheid

als kaarsvet word ik week
verlang ik vurig naar een hard bed
en spreek ik vloeiend alle talen
terwijl jij simultaan tolkt

slechts met een simpele zucht
zeg maar een vlaag van mondigheid
wordt het donker in de kamer
alsof ik het genre met vlammende deur
verlaat en koppig in de put van mijn bed
ga liggen in plaats van
ernaast

strijk me in gang
wakker mij aan als het licht wordt
en zeg me dat stompzinnigheid kan smelten
in ons bos schijnt de zon
je moet enkel weten
hoe je haar brandende houdt
zonder zelf in rook op te gaan

Balk

Soms zou ik willen dat iemand mij eens
aanraakt. Niet per ongeluk of heel even
maar zoals een file richting kust.

Soms zou ik willen dat iemand de punten
van mijn haar bespeelt als een piano
zonder te eindigen in mineur.

Ik zou soms willen dat iemand me
de zomer in vrijt. Dat de zon haar hoogste
punt bereikt en me doet smelten op een tong.

Ik wil dat iemand me mondjesmaat vertelt
hoeveel hij van mijn dissonantie houdt
terwijl ik noten voor hem balk.

Was ik maar een ezelsoor
dan wist ik waar jij gebleven bent.

ritsen

ik ben een slaapzak die
jouw dromen souffleert
zo’n onontbeerlijk lichtgewicht
dat zwicht voor het avonduur

ik ben zo eentje dat moeilijk
in de hoes geraakt
houd me in het gareel
trek me aan en neem me
mee

en als je weer gaat slapen
ergens in een land ver buiten
rol ik mijn loper voor je uit
dan worden we één
ingewikkeld plot

dat we met een goed doordacht
slot aan elkaar ritsen

ik ben een beetje roerei

ik breek mijn hoofd als de zon
opkomt dan ben ik op m’n best
en kakel ik de krant in je oor
als vroege informatiebron

ik ben een beetje roerei
mijn gemoed verandert snel
houd mijn tijd in ’t oog
als ik uitbarst en me in de
boter vlij ontdooi ik waar jij

ik kan een koude ochtend
warmen als een koffie zonder koek
ontroer mij en benut me
om een ander uit bed
te bakken als het moet

ik ben een beetje roerei
te verorberen als jij je ogen
hussel me door elkaar
ik zeg sorry voor al ’t gemors
buiten de pan kleuren is louter
kaviaar voor de kat

en als ik alleen een beetje ei
dan ben ik hard of zacht
maar telkens vergeet jij
hoe lang ik dan moet
laat me sudderen lepel me uit
jij bent mijn vriend en ik weet
doe maar tot het goed

En het is bijna kerst

Soms kijk ik jou diep in de ogen.
Zo diep dat mijn neus op jouw feit wordt gedrukt.
Het vlot niet. Ik ben de rem die tegen je wiel schuurt.
Ik ben de gedachte dat je je banden moet oppompen.
Altijd aanwezig als je kasseien groet.
Doch moeilijk in praktijk om te zetten.
Draai dat ventiel eens open en blaas me net niet omver.
Kus me, maar geef me voldoende ademruimte.
De spanning zit goed.

Maar het vlot niet. Daar word je hard van.
Mensen kijken naar je om als je hen rammelend voorbijrijdt.
Rinkelen is nutteloos. Iedereen gaat opzij voor iemand die teveel lawaai maakt.
Passeer maar, denken ze, want hier willen we niks mee te maken hebben.
Wij hebben allemaal problemen en het is bijna kerst.
Laten we zwijgen vooraleer ons gezicht de kasseien streelt.
We dragen niet eens een helm.

Soms kijk ik jou aan.
Zo aan dat ik de bochten niet meer scherp zie.
Laten we rechtdoor fietsen. Een band creëren.
Of binnenwegen ontdekken en ze tegen niemand zeggen.
Fluister de code van je cijferslot eens diep in mijn ogen.
Dan kunnen we eindelijk.
Het is groen.

Waar blijf je?

op een ander

Heeft het nog zin
rond de pot te draaien als het uiteindelijk vierkant
te spreken in beelden om de waarheid
je glimlach te bewaren als je niet echt

Heeft het nog zin
te verbloemen als we allemaal weten
regels te volgen die niemand
in discussie te treden met
als je toch

Heeft het zin
te betalen voor wat je eigenlijk
om je liefde te verklaren wanneer
een punt te zetten om toch verder

Heeft het zin
te blijven gapen naar
die veel minder
waar jij beter

Heeft het wel zin
een woord te zoeken dat
niet echt
maar wel ongeveer

Dus zeg ik het maar zo

Kust allemaal mijn kloten
Ik speel wel op een ander
want wat je zelf
doe je meestal

 

Bewaard

Ik ben een concept. Een idee dat wordt bewerkt.
Ik word ergens opgeslagen en nadien weer opgevist.
Mijn ontwerp kan een concrete vorm aannemen.
Tenminste als je helemaal voor me gaat.
Zet mijn nutteloze woorden stuk voor stuk aan de kant.
Haal ze door met een potlood dat niet te scherp is.
Hul me in een jas die me het beste past.
Of waarin jij me het liefste ziet.
Lees me dan nog eens na. Haal de fouten van mijn schoonheid.
Wissel wat woorden om me beter te doen klinken.
Vervang de juiste spelers op mijn veld.
Die scoren de meeste punten.
Spreek me uit. Speel me alsof ik voor echt zou zijn.
Om me dan.
Na wikken en waakzaam.
Na nog wat wassen en willen ze dat wel lezen.
Te publiceren.
Stuur me de wereld in als een vogel die voor ’t eerst zijn vleugels vouwt.
Laat me los en wacht op de pluimen.
Want geef toe.
Het enige dat wij willen bevestigd zien.
Is dat wij leuk zijn samen.

%d bloggers liken dit: