dat citroentje in mijn glas

ze zeggen dat ik dramatisch kan zijn
dat is zo
dat wordt al eens veroorzaakt

bijvoorbeeld
als iemand mij pijn doet, dan huil ik
en ik flip als ik tegenstrijdigheid de hand schud
tegen loslaten zeg ik daarom laat vaarwel
ook van onrecht word ik affreuze Antigone
of van wetten en regels die thuiskomen van een dronken avond
en oh ja, ik kan wel eens doordrammen over een woord

gelukkig klaag ik niet
over dat citroentje in mijn glas
of over ijsblokken die toch voor me smelten
want dat

dat zou ik pas echt onmenselijk vinden

als de avond dag zegt

mijn kijkers wagenwijd
als ik haar water raak
dan weet ik dat ze van me slurpt
zoals van thee voor ’t slapengaan

haar ogen als een volle zee
waarop mijn vlot gretig deint
ik vaar subtiel haar randen af
voor dat zij voorgoed verdwijnt

bij valavond keert haar tij
dan ebt ze weg van d’ overvloed
en voor ’t krieken van de koffie
zwemt ze tranen tegemoet

ik strand op keien
geef kusjes op m’n knie
en als de avond dag zegt
sjor ik me vast en zeker

zij is mijn meer
niet minder dan dat
gaarne ga ik kopje onder
maar liever adem ik haar

niet uit

staat van ontbinding

hoe snel raakt een huid
van ’t onverharde pad af
het struikelt over drempels heen
een afdruk op broeierig beton

als een felle brand laai ik op
met trillend ooglid schiet de lucht
een passionele pluim omhoog
blaas me maar positief

mijn vlees ligt op jouw rooster
draai mij om bekijk en wakker me
als een barbecue die ergens geurt
zo ben ik heerlijk
onmogelijk te lokaliseren

warm water

‘Hebde nen thee? Ne gewonen thee?’
‘Ja, earl grey of English breakfast.’
‘Nee, nen thee zonder iets.’
‘Met citroen?’
‘Nen thee zónder iets.’
Warm water, denk ik dan. ‘Ik vrees dat ik u niet kan helpen.’
Zucht. ‘Pakt dan maar ne koffie verkeerd.’

Bij de afrekening:
‘Uwe koffie proeft naar water!’

Perfect, denk ik dan.

dat spreekt voor zich

als rode lippen op een wijnglas
klampen wij de avond vast
dan proeven we Chopins nocturne
die zich onder ’t sop te slapen legt

zo was je de contouren
van de nacht niet zomaar weg
zelfs op ’t droge houden wij
stand en stevig van elkaar

en telkens jij ons in het licht
draait en keert
het nog ’n keer probeert
geef je grif toe

die rode lippen op een wijnglas
dat spreekt voor zich

lijflied

soms danst een lijf met open dak
dan kronkelt het haar bochten vrij
en racet het recht door volle zee
een sluipweg van zich af

zelfs in weer en winter
demarreert het dankbaar voort
dan splijten vingers de wind in twee
en wordt haar lied gehoord

en als dat lijf dan ongeremd
een berg op manoeuvreert
laat het zich gretig bollen
zodra het op de rand balanceert

flessengeluk

als alle glazen gevuld
een oog verdrinkt in het andere
de tongen loslippig

breng ik de lege bakken down under

met voorbedachten rade daal ik de trap af
betast de muren knip het licht
met open mond staren ze me aan
ik zwijg en grijp ze zacht bij de keel
een voor een 
de halzen glijden tussen mijn vingers
het zweet als dauw op hun toenmalige kroon 
gewillig leggen ze zich neer 

bij de plek die ik hen toewijs

hoe heet een volle bak met lege flessen

die in blond en donker licht verkeert

kan iets vol en leeg zijn tegelijk
of ademt een buik altijd zo glansrijk