e04625058b36900eaadddf5fce29d599

Balk

Soms zou ik willen dat iemand mij eens
aanraakt. Niet per ongeluk of heel even
maar zoals een file richting kust.

Soms zou ik willen dat iemand de punten
van mijn haar bespeelt als een piano
zonder te eindigen in mineur.

Ik zou soms willen dat iemand me
de zomer in vrijt. Dat de zon haar hoogste
punt bereikt en me doet smelten op een tong.

Ik wil dat iemand me mondjesmaat vertelt
hoeveel hij van mijn dissonantie houdt
terwijl ik noten voor hem balk.

Was ik maar een ezelsoor
dan wist ik waar jij gebleven bent.

ritsen

ik ben een slaapzak die
jouw dromen souffleert
zo’n onontbeerlijk lichtgewicht
dat zwicht voor het avonduur

ik ben zo eentje dat moeilijk
in de hoes geraakt
houd me in het gareel
trek me aan en neem me
mee

en als je weer gaat slapen
ergens in een land ver buiten
rol ik mijn loper voor je uit
dan worden we één
ingewikkeld plot

dat we met een goed doordacht
slot aan elkaar ritsen

img_7267

Beloof me dat je lang meegaat

Wat ik zo heerlijk vind, en noem me van de pot gerukt. Dat is zo’n moment waarop alles aan vervanging toe is. Het lijkt dan alsof de dingen rondom mij die nacht de koppen bijeenstaken en vergaderden over wie eerst forfait zal geven. Geef toe, dat doen ze goed. Daar mogen we allemaal een voorbeeld aan nemen. Wie bedenkt er immers op één nacht zo’n perfect getimed parcours?

Zo’n moment, of laat ons zeggen, zo’n dag is makkelijk te herkennen. Die begint bijvoorbeeld met een kapotte lamp in de badkamer zodat je, ten eerste, met je neus tegen het feit deur wordt gedrukt en ten tweede, niet ziet wat je plast. Na wat mikken en wegen in het donker, dat laatste is maar beter zo, lukt het je om een nachtlamp in je pas vernieuwd stopcontact te pleuren. Dat was namelijk aan vervanging toe na het nachtelijk symposium van twee op drie maart. Tijdens het douchen merk je dat de goedkope shampoo, godzijdank, ook een zetel toegewezen kreeg op de door jou gemiste vergadering. Prikt niet in de ogen, wel in je portemonnee. Gaat minder lang mee, wast zelfs niet witter dan wit. Had ik maar anti-roos, dan rook ik niet naar Aldi-abrikoos. Jongens, kunnen we? Eenmaal een natte kop en een droog gezicht wagen we ons aan de bodylotion waar we nog net dat allerlaatste kwakje uitpersen. Dat meestal in volle opwinding tegen de spiegel schiet, alsof het bang was dat het nooit meer mocht komen. Dan gaan we sito presto over naar het ontbijt, waarbij je ontdekt dat je ’t lege karton fruitsap terug in de koelkast had gezet. Gelukkig is er koffie, weliswaar een schep te weinig voor het ultieme genot maar we klagen niet. Begrijp je waar ik naartoe wil? Het is een goed doordacht complot. En dan zitten we nog maar aan de muesli.

Wat ik zo heerlijk vind, en noem me gerust iemand die weinig geld spendeert. Dat is een volle kar om alle leeghoofden te bedanken voor hun engagement, met dingen waar je goed naar moet zoeken. Terwijl je één-twee-drie-bedot speelt met bestofte inktpatronen, eenzame batterijen en veters waar je moeilijk bij kan, heb jij je opgelegd parcours perfect gevolgd. Tenslotte maken goede afspraken goede vrienden. Dus voor ik jou in mijn kar leg, zeg ik graag nog even dit. Jij mag er wezen. Beloof me dat je lang meegaat, dan pak ik je maar al te graag uit. En weer in.

img_5526

ik ben een beetje roerei

ik breek mijn hoofd als de zon
opkomt dan ben ik op m’n best
en kakel ik de krant in je oor
als vroege informatiebron

ik ben een beetje roerei
mijn gemoed verandert snel
houd mijn tijd in ’t oog
als ik uitbarst en me in de
boter vlij ontdooi ik waar jij

ik kan een koude ochtend
warmen als een koffie zonder koek
ontroer mij en benut me
om een ander uit bed
te bakken als het moet

ik ben een beetje roerei
te verorberen als jij je ogen
hussel me door elkaar
ik zeg sorry voor al ’t gemors
buiten de pan kleuren is louter
kaviaar voor de kat

en als ik alleen een beetje ei
dan ben ik hard of zacht
maar telkens vergeet jij
hoe lang ik dan moet
laat me sudderen lepel me uit
jij bent mijn vriend en ik weet
doe maar tot het goed

img_6578

Mag het ietsje meer zijn

Het gebeurt keer op keer. Telkens ik op dat punt kom, een belangrijke beslissing neem of heb genomen, een hoofdstuk afsluit of er een ander begin, verdrietig ben of juist erg blij, een foute keuze maak of toevallig eens een goeie, boos ben op mezelf of net zielsgelukkig, dan zet ik een klein deel van mijn hebben en houwen op tweedehands. Dan moet ik iets aan mijn uitzicht veranderen. Alsof het uit elkaar halen van een meubel waar ik jarenlang op stond te kijken me op een of andere manier een oplossing biedt. Alsof het naar buiten brengen van iets ouds me iets nieuws doet inzien. Alsof ik het stof dat achterblijft eindelijk kan laten verdwijnen.
Zo stond er ooit eens een piano in mijn appartement, een wasmachine in mijn badkamer, had ik een Ikea-kast die iedereen in zijn living heeft staan. Zo hing er eens een Jacques Brel aan mijn muur, zelfs kerstverlichting in volle zomer. Zo ruilde ik een diepvries om naar een ijskast, verkocht ik een rechthoekige tafel voor een ronde, werden vijf oude stoelen er vier unieke. Zo zei ik eens dag tegen een huis met drie slaapkamers, tegen een senseo met herinneringen en tegen een gps omdat ik het allemaal beter wist. Ik weet niet waar dit fenomeen vandaan komt. Het is iets dat ontstaat.
Ik hoor u denken tot hier. Maar diep vanbinnen is iedereen een tweedehands meubel. Wij missen allemaal een vijs en de ene zal die vroeger kwijt zijn dan de andere. Van zodra wij in gebruik zijn, zijn wij minder waard. Hoe ouder we worden, hoe minder we glanzen, hoe meer we beschadigd geraken. Een kras op ons hart, een kap in onze kop, de ene mist een deur, de andere heeft een scheur. Om nog maar te zwijgen over al die verhuizingen die wij moeten meemaken. Wij worden letterlijk ingepakt en lopen tegen de muur aan. Wij worden verschoven, er wordt op ons gezeten, gemorst. En als ze echt niks meer met ons kunnen doen, wordt er op ons geboden.
Hoeveel geeft u nog? Om mij? Mag het ietsje meer zijn?

0a56d0311dee613af611484988744f51

Puinhoofd

Stel dat ik een groot feest zou zijn waarop iedereen uitgenodigd is, dan was mijn toegangsprijs hoog. Gratis inkom is blijkbaar not done. Mensen profiteren daarvan. Je moet vragen wat je waard bent. Misschien doe ik wel aan presale. Dan kus ik wat kortingen in je nek. Zo kan ik stiekem checken of jij no matter what op mijn vloer wil staan. Op de avond van je leven zou je zonder jas en tas arriveren. Vrij van rompslomp. Eenmaal aan de ingang zou ik je huid bestempelen met mijn naam om zeker te zijn dat je weer binnen mag na een schep lucht. Dans je maar warm op mijn initiatief, zou ik denken, terwijl ik jou verlicht met alles wat ik in huis heb. Een spot op je gezicht omdat je nu eenmaal gezien mag worden. Een laser die je bovenste van je onderste scheidt zodat er meerdere stukken zijn om van te houden. Ik zou een DJ stevige beats laten draaien zodat ik je hele lijf in één langgerekte scratch kan zien daveren. Daarna zou ik de confetti die ik de avond daarvoor zelf geknipt heb over je hoofd laten dwarrelen. Ik zou je laten fotograferen zonder dat je ’t weet, je bier laten aanreiken door onbekenden die dan in je oor beginnen te krijsen. ‘Wat een puinhoop’, zouden ze dan roepen waarna ze de confetti aanwijzen. En wat zou je dan lachen om dat woord dat je verkeerd begrepen had. ‘Wat een puinhoofd’, zou je antwoorden terwijl je je laatste danspassen stilzwijgend neerlegt. Je glimlach zou even rompslompen. Want het is net dát woord. Dat je verkeerd en toch helemaal juist. Had je maar je jas en je tas. Je baant je snel een weg naar de uitgang. Ellebogen in je maag, vuisten in je gezicht, een glas tegen je puinhoofd. Stel dat ik een groot feest was, dan zou je mij niet willen verlaten. Je zou bij me willen blijven. Om nog een laatste glas. Om nog die ene beat. Om samen dat puin te ruimen als iedereen.. Wat zeg je? Geen probleem. Ga maar, zou ik dan zeggen, ik kan het wel alleen.