haar slapen

de sterren in haar ogen
knippen gaandeweg hun lichtjes uit
haar nachten lonken liever laat
dan kijk ik graag naar boven

als in een wolk van woorden
zwijmelt zij de avond in
dan tuimelt ze in sluimerstand
en is ’t de roes die van haar wint

ver boven het donker heen
daar waar je van een berg valt
verklapt zij haar beeldenstorm
die ze alleen ’t water toevertrouwt

haar hart bonkt haar slapen wakker
wie weet wat zij aanschouwt

als de avond dag zegt

mijn kijkers wagenwijd
als ik haar water raak
dan weet ik dat ze van me slurpt
zoals van thee voor ’t slapengaan

haar ogen als een volle zee
waarop mijn vlot gretig deint
ik vaar subtiel haar randen af
voor dat zij voorgoed verdwijnt

bij valavond keert haar tij
dan ebt ze weg van d’ overvloed
en voor ’t krieken van de koffie
zwemt ze tranen tegemoet

ik strand op keien
geef kusjes op m’n knie
en als de avond dag zegt
sjor ik me vast en zeker

zij is mijn meer
niet minder dan dat
gaarne ga ik kopje onder
maar liever adem ik haar

niet uit

staat van ontbinding

hoe snel raakt een huid
van ’t onverharde pad af
het struikelt over drempels heen
een afdruk op broeierig beton

als een felle brand laai ik op
met trillend ooglid schiet de lucht
een passionele pluim omhoog
blaas me maar positief

mijn vlees ligt op jouw rooster
draai mij om bekijk en wakker me
als een barbecue die ergens geurt
zo ben ik heerlijk
onmogelijk te lokaliseren

dat spreekt voor zich

als rode lippen op een wijnglas
klampen wij de avond vast
dan proeven we Chopins nocturne
die zich onder ’t sop te slapen legt

zo was je de contouren
van de nacht niet zomaar weg
zelfs op ’t droge houden wij
stand en stevig van elkaar

en telkens jij ons in het licht
draait en keert
het nog ’n keer probeert
geef je grif toe

die rode lippen op een wijnglas
dat spreekt voor zich

lijflied

soms danst een lijf met open dak
dan kronkelt het haar bochten vrij
en racet het recht door volle zee
een sluipweg van zich af

zelfs in weer en winter
demarreert het dankbaar voort
dan splijten vingers de wind in twee
en wordt haar lied gehoord

en als dat lijf dan ongeremd
een berg op manoeuvreert
laat het zich gretig bollen
zodra het op de rand balanceert

flessengeluk

als alle glazen gevuld
een oog verdrinkt in het andere
de tongen loslippig
breng ik de lege bakken down under

met voorbedachten rade daal ik de trap af
betast de muren knip het licht
met open mond staren ze me aan
ik zwijg en grijp ze zacht bij de keel
een voor een
de halzen glijden tussen mijn vingers
het zweet als dauw op hun toenmalige kroon
gewillig leggen ze zich neer
bij de plek die ik hen toewijs

hoe heet een volle bak met lege flessen
die in blond en donker licht verkeert
kan iets vol en leeg zijn tegelijk
of ademt een buik altijd zo glansrijk

over winter

de nacht strijkt onze plooien
glad ik glunder als vanouds
ik schaats het krieken in
en uit en maak opnieuw
groeven in haar huid

een kers op de kaak
sneeuw als sproeten op de weg
of hoe het zout een
zoete wonde werd

ik kijk over winter heen
zo ver als ik maar kan
een wit tapijt als rode loper
‘k neem je dapper bij de arm
en fluister

na de wolken wordt het
toch weer warm

raaklijn

als een warm oord lig je
uitgestrekt op mijn kaart
ik tik je aan dans een rondje
om je heen
daar wil ik landen zeg ik
je kussen à la carte
‘k wil je als een oceaan omringen
en happen naar jouw hart
de andere kant van de wereld
is soms maar een vinger ver
rek je uit en wijs naar me

wij raken elkaar
bijna aan

het is als nieuwe kleren kopen

zit het goed
past het bij elkaar
dan hoef je niet te twijfelen

neem het stuk mee naar huis
draag het met trots
en wees niet bang
niemand staat even mooi met
jouw buitenkans

mettertijd schuurt het binnenin
je gaat iets vaker uit met een ander stuk
verzwijgt wat er nog in je kast hangt
tot je denkt te weten wat er schort

met je tongpunt uit de mond
knip je het label weg
en hoe voorzichtig je ook bent
er blijft evenwel iets prikken

tenzij je het stuk helemaal
aan flarden knipt

als ik jouw punten snijd

je vroeg
te vergeten wat niet was
over iets dat pas

de bloem geen water
schenken zeiden ze
enkel zon zal haar doen stralen
ik scheen soms zelf door de spleten
maar kon niet raken wat ik
wilde

je zei wees stil
en sprak voort
steek me in de onderste schuif
desnoods
bij sokken die je niet meer draagt
maar weigert weg te gooien

misschien stinkt onze zaak
naar meer
ben jij geen goede ruiker
en toch als ik jouw punten snijd
me prik aan die aanstekelijkheid
bloeit er steevast iets
dat geen pijn meer doet

%d bloggers liken dit: