Auteursarchief: Pascale Wouters

over winter

de nacht strijkt onze plooien
glad ik glunder als vanouds
ik schaats het krieken in
en uit en maak opnieuw
groeven in haar huid

een kers op de kaak
sneeuw als sproeten op de weg
of hoe het zout een
zoete wonde werd

ik kijk over winter heen
zo ver als ik maar kan
een wit tapijt als rode loper
‘k neem je dapper bij de arm
en fluister

na de wolken wordt het
toch weer warm

raaklijn

als een warm oord lig je
uitgestrekt op mijn kaart
ik tik je aan dans een rondje

om je heen

daar wil ik landen zeg ik
je kussen à la carte
‘k wil je als een oceaan omringen
en happen naar jouw hart

de andere kant van de wereld
is soms maar een vinger ver
rek je uit en wijs naar me
wij raken elkaar

bijna aan

waarom een regenjas nooit erg sexy is

men zegt dat als je door het bos de bomen niet ziet
er ook geen water zal doorsijpelen
terwijl de ene tak bezig is met het plannen van het kerstdiner
is de andere op zoek naar het einde der deadlines
het bos is dichtbegroeid
tot deze boom heb je tijd om papier te vullen
leg je kiezels klaar en focus

er is veel te doen en dat is goed
zo denk je minder aan de druppels in je hoofd
zet je kap op en veroorzaak een tornado
die met een zucht de regels aan haar laarzen lapt
want een cliché is gauw gemaakt
iets nieuws moeilijk te behappen
en de bakker bakt behoedzaam verder
honderden clichés per dag
dat mag

maar één tip geef ik prijs
draag geen regenjas in ’t grote bos
tenzij je zint op chaos
vraag me niet waarom
’t is als een regelrechte breuklijn
die tegen je been wil wrijven

waarom een regenjas nooit erg sexy is
is een vraag waarop ik helaas het antwoord
schuldig moet blijven

het is als nieuwe kleren kopen

zit het goed
past het bij elkaar
dan hoef je niet te twijfelen

neem het stuk mee naar huis
draag het met trots
en wees niet bang
niemand staat even mooi met
jouw buitenkans

mettertijd schuurt het binnenin
je gaat iets vaker uit met een ander stuk
verzwijgt wat er nog in je kast hangt
tot je denkt te weten wat er schort

met je tongpunt uit de mond
knip je het label weg
en hoe voorzichtig je ook bent
er blijft evenwel iets prikken

tenzij je het stuk helemaal
aan flarden knipt

als ik jouw punten snijd

je vroeg
te vergeten wat niet was
over iets dat pas

de bloem geen water
schenken zeiden ze
enkel zon zal haar doen stralen
ik scheen soms zelf door de spleten
maar kon niet raken wat ik
wilde

je zei wees stil
en sprak voort
steek me in de onderste schuif
desnoods
bij sokken die je niet meer draagt
maar weigert weg te gooien

misschien stinkt onze zaak
naar meer
ben jij geen goede ruiker
en toch als ik jouw punten snijd
me prik aan die aanstekelijkheid
bloeit er steevast iets
dat geen pijn meer doet

voor de nacht

wat ik graag nog zeggen wou
voor de nacht jouw dag omarmt
om samen kaarsen uit te blazen

verzwijg je wens voor ieders oor
hij ontpopt niet naar behoren
als de buren er mee gaan lopen

hoewel ik net wat letters las
die verdacht veel leken op een
wens waar jij op zint

ik flaneerde langs een etalage
en bedekte jouw verlichte woorden
met een trouwe dankjewel

wees gerust ik zwijg
voor alle weetgrage kopers zwijg ik

blaas nu maar
voor de nacht opnieuw toeslaat

voor Zoë

badjas

nooit wilde ik een badjas aan
te warm liever rechtstreeks in contact
heelhuids uit het water
zonder dampkap rond mijn lijf

zo’n jas was me te grof
en liet me meermaals koud
je bent niet vrij van kronkels
als je een stoffen gevel etaleert

wees puur en proper zei ik dan
we drogen elkaar wel af
in een nachtelijk spel waarin jij
je verliest

toch komt er een moment waarop je
de gordijnen sluit en hoopt
dat er een badjas rond je middel zit
om even te weten hoe het is
als niemand je kan raken