Geen haan

Ergens in de buurt kraait een haan.
Elke dag. Als het licht wordt en weer donker.
En daartussenin. Ik weet niet waar hij verstopt zit.
Hij schreeuwt me soms wakker. En vergezelt me bij het schrijven.
Hij verbaast de kerkklokken met zijn grote klep. Ik hoor hem bij het opmaken van mijn bed. Bij het ophangen van de was. Veraf kan hij niet zijn.

Een jaar of zes ken ik hem nu.
Het is bijzonder dat hij nog steeds geluid maakt.
Dat de buurman er nog niet over geklaagd heeft.
Dat de straat nog geen actie ondernomen heeft om hem het zwijgen op te leggen.
Dat er nog steeds niet gestaakt werd.
Ik vind het best. We willen toch allemaal dat er een haan naar ons kraait?

De dag waarop hij niet meer klinkt zal me bijblijven.
Een vriend hoor je graag af en toe. Als het licht wordt en weer donker.
Ergens in de buurt kraait een haan.
Elke dag. En daartussenin.

vuil blad

twee dozen oud papier
twee dozen documenten
twee dozen woorden die belangrijk waren
zag ik vanochtend in de vuilkar verdwijnen
voorgoed in vreemde handen
voorbeter niet meer uit de sloot te halen

gelukkig zou je denken
uit de kast is uit het hoofd
maar niets is minder waar
want voor de kar de straat verliet
vroeg ik me af of diegene waarmee ik ooit
een rekening opende
die me vertelde dat we toen beste vrienden
die beloofde dat we ooit
of die me zijn grootste geheim toevertrouwde
nog wel eens aan mij zou denken

ik overtuigde mezelf om niet naïef te zijn
om de vuilkar ook niet terug te roepen
wij hebben woorden gehad
die ik zorgvuldig bewaard heb
jarenlang
maar nu zijn ze weg
omdat ze vervallen waren

misschien zaten er woorden van u
tussen mijn tanden
goed poetsen werd mij aangeraden
een gat is beter te voorkomen
dan te dichten
maar simpel was dat niet
tot bloedens toe heb ik geschrobd
en nog had ik letters achter de kiezen

Telkens de kar passeert
zal ik me afvragen waar jij uithangt
en zo blijf ik ons afscheid maar uitstellen
want hoe lelijker
jij schreef
hoe mooier ik dat vond

Tandsteen

Ik raakte wat tanden kwijt toen ik van een tunnelgijbaan afdaalde. Ik had m’n benen rond mijn buurjongen gewikkeld die ons veilig beneden zou brengen. Terwijl ik in zijn oor ademde en angstzweet rook, dacht ik even aan de man die de avond voordien bij mama was. De interactie met de glijbaan verliep stroef, alsof we stotterend het gesprek op gang hielden. Met een schok raakten mijn tanden het hoofd van Robin. Ik was er vier kwijt toen ik plots op een bed lag. ‘Waar is Boris?’ sliste ik toen ik wakker werd. ‘Robin’, zei een vrouw die een glas water vasthield, ‘Die is je tanden gaan zoeken.’ Zelfs de dingen die in mijn ogen vaststonden, hadden losse eindjes. Robin was een held. Hij had vier witte stenen gevonden die mijn tanden het best benaderden.

Vandaag dacht iemand dat ik Lin heette

Die naam stond nog niet op mijn lijst.
Ik heb die iemand moeten teleurstellen.
Dat doe ik regelmatig.
Mensen vragen vaak of ze mij ergens van kennen.
Dan begint mijn molen te draaien.
Misschien die keer op café? Toen ik dat bier?
Of toen mijn boodschappentas scheurde? En alles?
Het was toch niet dat moment waarop ik huilde? Terwijl iedereen?
Of toen ik ’t mannentoilet bezocht? Omdat ik echt echt?
Nee, je hebt eens een voorstelling gespeeld.
Oef. Gelukkig.
Zeggen ze dan.
Dat doe ik regelmatig.
Zeg ik dan.

Mensen zeggen vaak dat ik hen aan iemand doe denken.
Niet aan mezelf. Zo blijkt.
Het schijnt dat ik wat dubbelgangers heb.
Zusters in crime waarmee ik ’s nachts snode plannen smeed.
Dan bedissel ik met Antje dat we onze froufrou laten groeien.
Of dan zeg ik tegen Jodie waar die tattoo juist moet.
En maar kibbelen en doen.
Ze kennen ons toch.
Ik zit soms in een serieuze identiteitscrisis.
Weet amper hoe ik heet of waar ik me van ken.
Dus volgende keer vraag ik gewoon op de man af:
Wie denk jij dat ik ben?

een vlaag van mondigheid

als kaarsvet word ik week
verlang ik vurig naar een hard bed
en spreek ik vloeiend alle talen
terwijl jij simultaan tolkt

slechts met een simpele zucht
zeg maar een vlaag van mondigheid
wordt het donker in de kamer
alsof ik het genre met vlammende deur
verlaat en koppig in de put van mijn bed
ga liggen in plaats van
ernaast

strijk me in gang
wakker mij aan als het licht wordt
en zeg me dat stompzinnigheid kan smelten
in ons bos schijnt de zon
je moet enkel weten
hoe je haar brandende houdt
zonder zelf in rook op te gaan

Tank

In de houten deur van mijn oude slaapkamer zat een gat. Als zesjarige kon ik er nog niet doorkijken. Dan zette ik een plastieken bak met prinsessenprint op zijn kop en ging ik erop staan. De punt van m’n tong krulde zich naar buiten, mijn voeten trokken een denkbeeldig muiltje aan. Pas dan kon ik zien wat er in de kamer tegenover de mijne gebeurde. Mama liet haar deur altijd openstaan, alsof ze wist dat er een camera op haar gericht stond. Ik zag haar telkens in een andere outfit. Soms een blauw, dan weer een zwart, af en toe een rood lingeriesetje. Wat kon ze dansen. Haar gasten lachten breed, staken soms hun wijsvinger onder de rand van haar slip. ‘Een man is als een benzinestation’, had ze me eens gezegd, ‘Hoe meer je van hem vraagt, hoe voller je tank.’ Ik begreep het niet. Ik had nog nooit getankt.

Balk

Soms zou ik willen dat iemand mij eens
aanraakt. Niet per ongeluk of heel even
maar zoals een file richting kust.

Soms zou ik willen dat iemand de punten
van mijn haar bespeelt als een piano
zonder te eindigen in mineur.

Ik zou soms willen dat iemand me
de zomer in vrijt. Dat de zon haar hoogste
punt bereikt en me doet smelten op een tong.

Ik wil dat iemand me mondjesmaat vertelt
hoeveel hij van mijn dissonantie houdt
terwijl ik noten voor hem balk.

Was ik maar een ezelsoor
dan wist ik waar jij gebleven bent.