het is als nieuwe kleren kopen

zit het goed
past het bij elkaar
dan hoef je niet te twijfelen

neem het stuk mee naar huis
draag het met trots
en wees niet bang
niemand staat even mooi met
jouw buitenkans

mettertijd schuurt het binnenin
je gaat iets vaker uit met een ander stuk
verzwijgt wat er nog in je kast hangt
tot je denkt te weten wat er schort

met je tongpunt uit de mond
knip je het label weg
en hoe voorzichtig je ook bent
er blijft evenwel iets prikken

tenzij je het stuk helemaal
aan flarden knipt

als ik jouw punten snijd

je vroeg
te vergeten wat niet was
over iets dat pas

de bloem geen water
schenken zeiden ze
enkel zon zal haar doen stralen
ik scheen soms zelf door de spleten
maar kon niet raken wat ik
wilde

je zei wees stil
en sprak voort
steek me in de onderste schuif
desnoods
bij sokken die je niet meer draagt
maar weigert weg te gooien

misschien stinkt onze zaak
naar meer
ben jij geen goede ruiker
en toch als ik jouw punten snijd
me prik aan die aanstekelijkheid
bloeit er steevast iets
dat geen pijn meer doet

voor de nacht

wat ik graag nog zeggen wou
voor de nacht jouw dag omarmt
om samen kaarsen uit te blazen

verzwijg je wens voor ieders oor
hij ontpopt niet naar behoren
als de buren er mee gaan lopen

hoewel ik net wat letters las
die verdacht veel leken op een
wens waar jij op zint

ik flaneerde langs een etalage
en bedekte jouw verlichte woorden
met een trouwe dankjewel

wees gerust ik zwijg
voor alle weetgrage kopers zwijg ik

blaas nu maar
voor de nacht opnieuw toeslaat

voor Zoë

badjas

nooit wilde ik een badjas aan
te warm liever rechtstreeks in contact
heelhuids uit het water
zonder dampkap rond mijn lijf

zo’n jas was me te grof
en liet me meermaals koud
je bent niet vrij van kronkels
als je een stoffen gevel etaleert

wees puur en proper zei ik dan
we drogen elkaar wel af
in een nachtelijk spel waarin jij
je verliest

toch komt er een moment waarop je
de gordijnen sluit en hoopt
dat er een badjas rond je middel zit
om even te weten hoe het is
als niemand je kan raken

Geen haan

Ergens in de buurt kraait een haan.
Elke dag. Als het licht wordt en weer donker.
En daartussenin. Ik weet niet waar hij verstopt zit.
Hij schreeuwt me soms wakker. En vergezelt me bij het schrijven.
Hij verbaast de kerkklokken met zijn grote klep. Ik hoor hem bij het opmaken van mijn bed. Bij het ophangen van de was. Veraf kan hij niet zijn.

Een jaar of zes ken ik hem nu.
Het is bijzonder dat hij nog steeds geluid maakt.
Dat de buurman er nog niet over geklaagd heeft.
Dat de straat nog geen actie ondernomen heeft om hem het zwijgen op te leggen.
Dat er nog steeds niet gestaakt werd.
Ik vind het best. We willen toch allemaal dat er een haan naar ons kraait?

De dag waarop hij niet meer klinkt zal me bijblijven.
Een vriend hoor je graag af en toe. Als het licht wordt en weer donker.
Ergens in de buurt kraait een haan.
Elke dag. En daartussenin.

vuil blad

twee dozen oud papier
twee dozen documenten
twee dozen woorden die belangrijk waren
zag ik vanochtend in de vuilkar verdwijnen
voorgoed in vreemde handen
voorbeter niet meer uit de sloot te halen

gelukkig zou je denken
uit de kast is uit het hoofd
maar niets is minder waar
want voor de kar de straat verliet
vroeg ik me af of diegene waarmee ik ooit
een rekening opende
die me vertelde dat we toen beste vrienden
die beloofde dat we ooit
of die me zijn grootste geheim toevertrouwde
nog wel eens aan mij zou denken

ik overtuigde mezelf om niet naïef te zijn
om de vuilkar ook niet terug te roepen
wij hebben woorden gehad
die ik zorgvuldig bewaard heb
jarenlang
maar nu zijn ze weg
omdat ze vervallen waren

misschien zaten er woorden van u
tussen mijn tanden
goed poetsen werd mij aangeraden
een gat is beter te voorkomen
dan te dichten
maar simpel was dat niet
tot bloedens toe heb ik geschrobd
en nog had ik letters achter de kiezen

Telkens de kar passeert
zal ik me afvragen waar jij uithangt
en zo blijf ik ons afscheid maar uitstellen
want hoe lelijker
jij schreef
hoe mooier ik dat vond

Tandsteen

Ik raakte wat tanden kwijt toen ik van een tunnelgijbaan afdaalde. Ik had m’n benen rond mijn buurjongen gewikkeld die ons veilig beneden zou brengen. Terwijl ik in zijn oor ademde en angstzweet rook, dacht ik even aan de man die de avond voordien bij mama was. De interactie met de glijbaan verliep stroef, alsof we stotterend het gesprek op gang hielden. Met een schok raakten mijn tanden het hoofd van Robin. Ik was er vier kwijt toen ik plots op een bed lag. ‘Waar is Boris?’ sliste ik toen ik wakker werd. ‘Robin’, zei een vrouw die een glas water vasthield, ‘Die is je tanden gaan zoeken.’ Zelfs de dingen die in mijn ogen vaststonden, hadden losse eindjes. Robin was een held. Hij had vier witte stenen gevonden die mijn tanden het best benaderden.