Categorie archief: Zinsbegoochelingen

Niets*

Een bloedhete dag kookt Japan bijna gaar. Het land baadt in zwoel zonlicht dat de lucht doet trillen van plezier. Als regenwormen graven mensen zich een weg uit het drukste station van Tokio. Treinen braken passagiers uit die moedig een gaatje zoeken in de warme massa. Het station walst mee op het ritme van hun geschuifel. Op een bankje aan perron negen zit een zesendertigjarige man die de dans ontspringt. Met een beker koffie in z’n hand zit hij roerloos voor zich uit te staren. Terwijl het zweet op zijn voorhoofd parelt, kijkt hij naar de treinen die af en aan rijden. Dat doet hij altijd wanneer hij nood heeft aan rust. Onwetendheid knaagt aan zijn lijf. Al zestien jaar.

Tsukuru Tazaki had na zijn middelbare studies in Nagoya maandenlang aan de dood gedacht. Het gapende gat waarin hij zich te pletter had kunnen storten stond nog op zijn netvlies gebrand. Het liet z’n sporen na. Zijn gedachten waren donker geworden en zijn gezicht beduidend scherper. Hij was niet meer die vrolijke jongen met die bolle wangen maar een magere ingenieursstudent met een kleurloos leven in Tokio. Slapen en werken en eten en slapen. Zo kon je zijn dagen samenvatten. Vrienden had hij niet, enkel het zwembad zag hij dagelijks. Drinken kon hij niet en van roken ging zijn vader dood. Waarom was hij niet in dat Niets gesprongen? Misschien omdat hij geloofde dat het leven toch nog iets voor hem in petto had? Of omdat zijn passie op dat moment aan de noodrem trok?

*Tweehonderdvijfenvijftig woorden uit mijn kortverhaal van vijftienhonderd woorden naar de roman ‘De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren’ van Haruki Murakami.

Sonnet

Het lopen sloopt een liter zweet van mij.
M’n hart rept zich naar buiten zo gejaagd,
geplaagd door pompend heen-en-weer vertraagt
het niet. Verzwikking hoort er eenmaal bij.

Dat lopen struikelt over mijn gemoed.
Ik straal van stijfheid, pleeg een kilomeet
met voorbedachten rade. Maar ik weet
dat pijn verzacht als ‘t razend in mij woedt.

Voor wie verdwaal ik kilometers lang?
Geen haan die daar naar kraait. Waarom vergooi
ik mijn gezucht in openbaar gezang?

Ik ben pion in menig schaaktoernooi.
Een loper zonder kop of stand of rang.
Een die de koningin vertrapt als prooi.

Verloop

Lopen is liters zweet slopen,
is het hart dat hard rent,
is zweet dat een zucht van verzwikking slaakt.

Ik moet bekennen dat ik soms verstijf van dit verloop.
Maar zolang de tijd blaakt van gezondheid,
zal ik blijven rennen. Van hier tot in d’ Ardennen.
En eerlijk gezucht, dat zijn kleddernatte kilometers.

Naar ‘De zwemmer is een ruiter’ van Paul Snoeck

Haak*

A:        Ik had een haak.
B:        Ik heb geen haak.
A:        Die haak hing in mijn garage.
B:        Ik heb geen garage.
A:        Ik spreek nu van de jaren zestig.
B:        Ik niet.
A:        Ieder zijn garage. Ieder zijn Opel Kadett.
B:        Ik heb geen Opel Kadett.
A:        Aan die haak hing ik onze lekke fietsen.
B:        Ik heb geen lekke fiets.
A:        Want ik kan goed binnenbanden repareren.
B:        Ik kan dat niet.
A:        Ik zal het u leren.
B:        Maar ik heb geen haak.
A:        Ik had een haak.
B:        In de jaren zestig.
A:        Ja.
B:        Maar je hebt nog wel die garage.
A:        Ja.
B:        Waarom neem je de auto dan niet?
A:        Omdat die Opel Kadett niet meer in de haak is.
B:        Je hebt geen haak.
A:        Ik had een haak.
B:        Die haak hing in jouw garage.
A:        Je weet het dan toch.
B:        Je hebt het mij gezegd.
A:        Dat ik een haak had?
B:        Nee, een garage.
A:        Met een haak in.
B:        En een lekke fiets.
A:        Ik heb geen lekke fiets.
B:        Nu niet meer.
A:        In de jaren zestig.
B:        Ik heb een zoon.
A:        Ik heb geen zoon.
B:        Die zoon hangt al eens ‘t zotteke uit.
A:        Is die niet helemaal in de haak?
B:        Hij speelt in een band.
A:        Een lekke band.
B:        Een binnenband.
A:        Hoe heet die band?
B:        Soupape.
A:        Dat zegt mij vaag iets.
B:        Ze spelen in mijn garage.
A:        Jij had geen garage.
B:        Heb ik gevraagd uw mening te ventileren?
A:        Ons gesprek loopt spaak.
B:        En ‘t is allemaal begonnen bij een klotehaak.

*Geïnspireerd op een column van Bernard Dewulf uit ‘Kleine Dagen’.

De hagedis en het zoogdier*

Op een zonovergoten en lang vervlogen dag had niemand kunnen voorspellen dat er een vlaag van tristesse over het land zou neerdalen. De zomer werd overdonderd door plaatselijke huilbuien en in extremis zelfs afgelast. De dood van twee dieren had deze plotse seizoensomwenteling veroorzaakt.
Een hagedis in de schaduw van een berg kwam om wegens gebrek aan zonnewarmte terwijl een zoogdier op de top van dezelfde berg stierf door de grote hitte. Ze stierven beiden een miserabele dood, vervuld van afgunst op elkaar.
Hoewel de zon het voor deze twee goed bedoeld had, maakte haar stralende glimlach plaats voor een donderwolk. Het stormde in haar hoofd en het waaide maar niet over. Nooit eerder bracht het gevolg van haar taak zo’n intens verdriet bij zichzelf teweeg. Terwijl de zon nog helemaal van slag was, ging haar lapsus rond als een lopend vuurtje.
De hagedis werd diezelfde dag nog geëerd door menig soortgenoot. Niemand van hen begreep waarom hij de warmte niet had opgezocht. Ontredderd waren ze door de dood van deze kille jongen. Enkelen spraken van een wanhoopsdaad vanwege zijn koele status in de groep. Een buitenbeentje was hij, een gekko in hart en nieren met ijskoude gedachten.
Het zoogdier daarentegen werd pas drie dagen later en veel minder uitbundig gelauwerd. Amper twee dapperen daagden op om een laatste groet te brengen. Het verhitte dier werd immers levenslang vervloekt door anderen die het te ambitieus vonden. Regelmatig wilde dit beest in het middelpunt van de belangstelling staan en altijd moest het aan het woord zijn. Als een kip zonder kop breide het de woorden aan elkaar tot iemand er een punt achter durfde zetten. Hoewel de babbelaar bergen kon verzetten, werd deze laatste het beest toch teveel. Waarom was het niet gewoon weggegaan? Was het echt te dom geweest om het hoofd koel te houden?
De zon overzag het hele gebeuren en kon geen greintje enthousiasme meer uitstralen. Het liefst van al verdween ze voorgoed, miljarden kilometers verderop, zodat de berg in een duistere nis zou verdwijnen. Per slot van rekening had ze twee doden op haar geweten. Als haar warmte verkeerd geïnterpreteerd werd, had ze geen reden meer om te verschijnen. Terwijl haar klaagzang gadesloeg over het ganse land nam ze afscheid van haar taak. De wereld baadde in zwartgalligheid.
Na zestig maanden van verlangen kwamen de hagedis en het zoogdier elkaar eindelijk weer tegen. In het kielzog van de hemel waar ze allebei stiekem bang voor waren geweest. Sinds het ratelende zoogdier verbannen werd naar een ander hol probeerden de twee elkaar dagelijks terug te vinden. Geen van beiden had durven denken dat de dood hun langverwachte ontmoeting zou waarmaken. Hadden ze dat op voorhand geweten was die lange afstandsrelatie voor niks geweest. De afgunst die ze tijdens hun lijdensweg voelden, verdween plotsklaps. De gekko wist met zijn emoties geen raad en vond de woorden niet die hij had willen uitspreken. Hij had ze nochtans meermaals en luidop gerepeteerd. Het zoogdier begon meteen een verhaal over een koe en haar kalf maar dat eindigde nog voor het goed en wel begonnen was. De hagedis viel in de poten van zijn lekker beest zodat ze allebei voelden hoe de dood hen te lijf was gegaan. Een dierbare omhelzing was het, waarbij de ene het warm kreeg en de andere kippenvel voelde aanzwellen. Ondanks niemand hun liefde had begrepen, waren deze warmbloedigen gelukkiger dan ooit. In het kielzog van de hemel waar ze op dat moment niet meer bang voor waren. Eindelijk konden ze zonder criticasters een eigen nest uitzoeken, hoe bizar dat er ook zou uitzien.
De enige die het geluk nooit meer in de ogen durfde te kijken was de zon. Zij bleef voor altijd kleurloos en kouwelijk hoewel ze zonder het te weten een goede daad had verricht. Ofschoon het licht over het hele land was uitgegaan, bracht de dood de nodige warmte.
Als de keuze zich ooit zou aandienen, waar was jij dan het liefst? Die vraag hadden de hagedis en het zoogdier zich meermaals gesteld en stilzwijgend beantwoord.

*Oorspronkelijk een kortverhaal van Italo Svevo. Nu in een zonovergoten bewerking.

Om zeep

Het is om zeep en dat kan glad zijn. Hij had nochtans een fenomenaal plan bedacht, wat niet zo vanzelfsprekend is voor hem. Hij zou haar een sms’je sturen terwijl hij met z’n broek op de enkels een boodschap deed. Hij zou haar uitnodigen om zijn whiskycollectie uit te proberen wanneer zijn appartement gastvrij was en nadien zou hij haar zelfzeker in z’n twijfelaar gekregen hebben. Ware het niet dat hij nu fletse koffie zat te drinken in de kliniek. Bij iemand die zijn whiskycollectie al te vaak van dichtbij had gezien. Bij iemand waarvan hij twijfelde aan haar zelfzekerheid. Zijn ongeborene ligt in stuit en moet er nu echt wel dringend uit. Een dolgedraaid kind, gekroond tot keizer van haar snede, met een timing van zijn kloten.

In het midden

’t Is gebeurd. Een nieuwe hobby heeft zich van mij meester gemaakt.
Ik volg nu een opleiding waar ik woorden aan elkaar kan breien, waar ik zinnen kan opkoken tot een smaakvol gerecht en waar mijn belevende ik eens rond de pot kan lopen.
Een opleiding literaire creatie natuurlijk. Met wekelijkse opdrachten en feedback.
En aangezien ik u, beste lezer, nooit in de steek zou laten, post ik zo goed en zo kwaad mogelijk wat van mijn zinsbegoochelingen. Voorlopig zijn de resultaten nog kort van stof maar wees gerust, er komen verlengingen. Oh ja, en de werkelijke opdracht laat ik maar in het midden. Het is immers nooit goed om alleen maar naar rechts te kijken.

Ik heb de zon een goeiemorgen gelikt.
Ze heeft mij goed gehoord, dat heb ik gezien.
Mijn tong tast nog in het duister en proeft hongerig.
Ik ruik een dag.
Een goeie dag.
Goeiemorgen.
Wie komt er voor mijn ontbijt zorgen?