Categorie archief: Schrijven

als de avond dag zegt

mijn kijkers wagenwijd
als ik haar water raak
dan weet ik dat ze van me slurpt
zoals van thee voor ’t slapengaan

haar ogen als een volle zee
waarop mijn vlot gretig deint
ik vaar subtiel haar randen af
voor dat zij voorgoed verdwijnt

bij valavond keert haar tij
dan ebt ze weg van d’ overvloed
en voor ’t krieken van de koffie
zwemt ze tranen tegemoet

ik strand op keien
geef kusjes op m’n knie
en als de avond dag zegt
sjor ik me vast en zeker

zij is mijn meer
niet minder dan dat
gaarne ga ik kopje onder
maar liever adem ik haar

niet uit

dat spreekt voor zich

als rode lippen op een wijnglas
klampen wij de avond vast
dan proeven we Chopins nocturne
die zich onder ’t sop te slapen legt

zo was je de contouren
van de nacht niet zomaar weg
zelfs op ’t droge houden wij
stand en stevig van elkaar

en telkens jij ons in het licht
draait en keert
het nog ’n keer probeert
geef je grif toe

die rode lippen op een wijnglas
dat spreekt voor zich

lijflied

soms danst een lijf met open dak
dan kronkelt het haar bochten vrij
en racet het recht door volle zee
een sluipweg van zich af

zelfs in weer en winter
demarreert het dankbaar voort
dan splijten vingers de wind in twee
en wordt haar lied gehoord

en als dat lijf dan ongeremd
een berg op manoeuvreert
laat het zich gretig bollen
zodra het op de rand balanceert

voor de nacht

wat ik graag nog zeggen wou
voor de nacht jouw dag omarmt
om samen kaarsen uit te blazen

verzwijg je wens voor ieders oor
hij ontpopt niet naar behoren
als de buren er mee gaan lopen

hoewel ik net wat letters las
die verdacht veel leken op een
wens waar jij op zint

ik flaneerde langs een etalage
en bedekte jouw verlichte woorden
met een trouwe dankjewel

wees gerust ik zwijg
voor alle weetgrage kopers zwijg ik

blaas nu maar
voor de nacht opnieuw toeslaat

voor Zoë

Tandsteen

Ik raakte wat tanden kwijt toen ik van een tunnelgijbaan afdaalde. Ik had m’n benen rond mijn buurjongen gewikkeld die ons veilig beneden zou brengen. Terwijl ik in zijn oor ademde en angstzweet rook, dacht ik even aan de man die de avond voordien bij mama was. De interactie met de glijbaan verliep stroef, alsof we stotterend het gesprek op gang hielden. Met een schok raakten mijn tanden het hoofd van Robin. Ik was er vier kwijt toen ik plots op een bed lag. ‘Waar is Boris?’ sliste ik toen ik wakker werd. ‘Robin’, zei een vrouw die een glas water vasthield, ‘Die is je tanden gaan zoeken.’ Zelfs de dingen die in mijn ogen vaststonden, hadden losse eindjes. Robin was een held. Hij had vier witte stenen gevonden die mijn tanden het best benaderden.

een vlaag van mondigheid

als kaarsvet word ik week
verlang ik vurig naar een hard bed
en spreek ik vloeiend alle talen
terwijl jij simultaan tolkt

slechts met een simpele zucht
zeg maar een vlaag van mondigheid
wordt het donker in de kamer
alsof ik het genre met vlammende deur
verlaat en koppig in de put van mijn bed
ga liggen in plaats van
ernaast

strijk me in gang
wakker mij aan als het licht wordt
en zeg me dat stompzinnigheid kan smelten
in ons bos schijnt de zon
je moet enkel weten
hoe je haar brandende houdt
zonder zelf in rook op te gaan