Categorie archief: Schrijven

voor de nacht

wat ik graag nog zeggen wou
voor de nacht jouw dag omarmt
om samen kaarsen uit te blazen

verzwijg je wens voor ieders oor
hij ontpopt niet naar behoren
als de buren er mee gaan lopen

hoewel ik net wat letters las
die verdacht veel leken op een
wens waar jij op zint

ik flaneerde langs een etalage
en bedekte jouw verlichte woorden
met een trouwe dankjewel

wees gerust ik zwijg
voor alle weetgrage kopers zwijg ik

blaas nu maar
voor de nacht opnieuw toeslaat

voor Zoë

Tandsteen

Ik raakte wat tanden kwijt toen ik van een tunnelgijbaan afdaalde. Ik had m’n benen rond mijn buurjongen gewikkeld die ons veilig beneden zou brengen. Terwijl ik in zijn oor ademde en angstzweet rook, dacht ik even aan de man die de avond voordien bij mama was. De interactie met de glijbaan verliep stroef, alsof we stotterend het gesprek op gang hielden. Met een schok raakten mijn tanden het hoofd van Robin. Ik was er vier kwijt toen ik plots op een bed lag. ‘Waar is Boris?’ sliste ik toen ik wakker werd. ‘Robin’, zei een vrouw die een glas water vasthield, ‘Die is je tanden gaan zoeken.’ Zelfs de dingen die in mijn ogen vaststonden, hadden losse eindjes. Robin was een held. Hij had vier witte stenen gevonden die mijn tanden het best benaderden.

een vlaag van mondigheid

als kaarsvet word ik week
verlang ik vurig naar een hard bed
en spreek ik vloeiend alle talen
terwijl jij simultaan tolkt

slechts met een simpele zucht
zeg maar een vlaag van mondigheid
wordt het donker in de kamer
alsof ik het genre met vlammende deur
verlaat en koppig in de put van mijn bed
ga liggen in plaats van
ernaast

strijk me in gang
wakker mij aan als het licht wordt
en zeg me dat stompzinnigheid kan smelten
in ons bos schijnt de zon
je moet enkel weten
hoe je haar brandende houdt
zonder zelf in rook op te gaan

GLVL

Ik ben als een gelijkvloerse verdieping. Down to earth, makkelijk bereikbaar en nederig voor anderen. Bij me binnen gluren gaat van een leien dak. Als ik mijn gordijnen swipe, weet je meteen wat er in me omgaat. Dan hangen er kleurige punaises tegen mijn muur als was het een slordige collage van muizenissen.
Mijn deur staat als eerste in de rij om iemand op te vangen als het wat minder gaat. Geen omwegen zijn nodig om je hart uit te storten. Geen obstakels tussen ons, enkel de gangbare manier. Wees welkom in mijn berging. Laat alleen niks waardevols achter want mijn slot is aan vervanging toe. Het herstellen kost tijd. Of mag ik het hebben? Voor altijd?
Mijn bel daarentegen is een doelwit voor kleine kinderen en Jehova’s getuigen die me hogerop willen brengen. Als je met beide voeten op de begane grond staat, is het soms moeilijk om je voor te stellen hoe anderen naar je kijken. Iemand die hoger op de ladder staat is daarom niet per se een grootverdiener. Hij kweekt alleen meer spieren door die wekelijkse bak Duvel naar boven te dragen. En als de zal ik je helpen-vraag gesteld wordt, krijg je steevast een bovennatuurlijk antwoord terug. Ik ben er bijna. Nog even en ik sta te klinken op de top van jouw platvloerse villa.
Ik heb een goede reputatie, er is vraag naar mij. Vooral voor singles ben ik een ideale match. Wat verdiep ik me graag in ruimtes waar ik het licht nog niet weet staan. Ik ben een verrassingsfeest met een taart op m’n handen. Eentje dat jou laat schrikken wanneer je me helpt het licht aan te knippen.
Ik ben als een gelijkvloerse verdieping. Slechts een enkele keer zal ik boven mezelf durven uitstijgen. Als de wijn koel is en jij staat voor de deur.

Foto: Jill Greenberg - www.jillgreenberg.com

Fragment uit kortverhaal

Ik ben een binnenvetter zoals dat heet. Introvertie is my middle name. Dat is zich al redelijk vroeg beginnen settelen, als kleuter. Mijn verjaardag vieren wilde ik niet. Ik zou voor geen snoep van de wereld in het middelpunt van de belangstelling staan. Mijn klasgenoten mochten niet voor mij zingen. Een kroon was de grootste straf die iemand mij kon aandoen. Ik lachte weinig, ook al was ik blij. Ik vond dat ik niet het recht had te laten zien wat er in mijn hoofd gebeurde. Daarvoor was ik niet speciaal genoeg, vond ik. Daarvoor had ik nog te weinig meegemaakt en verdiende ik geen vrienden. Kinderen dachten vaak dat ik boos was terwijl ik stiekem straalde van plezier. ‘Waarom ben jij zo verdrietig?’ vroegen ze me. ‘Omdat ik volgend jaar weer jarig ben,’ zei ik dan.

Foto: Jill Greenberg – http://www.jillgreenberg.com

Wie zoekt

Het waren moeilijke weken. Weken met veel feedback, kritiek, meningen van mensen die belangrijk zijn voor mij, van mensen die ik nog nooit gezien had. Als je natuurlijk kiest voor een artistiek beroep krijg je dagelijks van die vlagen over je heen. Ook van mensen die helemaal niet bezig zijn met wat jij belangrijk vindt, met jouw passie. Het is dan de kunst om van die regen aan meningen de juiste eruit te pikken en eens goed te lachen met onterechte opmerkingen. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Beeld je maar eens in dat ik dagelijks zeg dat ik uw kind helemaal niet mooi vind, dat ik vind dat zijn tanden scheef staan en dat zijn gevoel voor ritme niet juist zit. Dat is eigenlijk net hetzelfde. Incasseer het en maak een mooier kind. Pas het aan omdat ik dat beter zou vinden.

Ik wist het natuurlijk al, maar ik heb de voorbije weken nogmaals ontdekt dat mensen heel kritisch zijn en dat is goed. Als het beter kan, moet dat gezegd worden. Zo vind ik bijvoorbeeld dat Coppers niet goed genoeg is omdat het een politiereeks is waar in aflevering zeven nog steeds geen achtervolging heeft plaatsgevonden, omdat alle personages op dezelfde toon spelen, omdat ik de crew al twee keer in de weerspiegeling van de deur heb zien staan en omdat ik binnen de tien minuten weet wie de dader is. Om maar een voorbeeld te geven natuurlijk. Maar als iemand mij zegt dat mijn tekst niet goed is omdat hij mijn einde niet begrijpt, kan ik hem misschien beter vragen of hij al dan niet kinderen heeft en ooit al eens van David Lynch of Charlie Kaufman heeft gehoord. Mensen houden duidelijk niet van een open einde. Moeten we nu gaan nadenken? Nee toch? Ik vind dat heel spijtig maar ik weiger een afgerond verhaal te schrijven. Daarom blijf ik naar Coppers kijken. Het schijnt dat het einde daar zo open is dat iedereen een glas cola over zijn tv heeft gegoten.

Ik heb de voorbije weken ook ontdekt dat heel wat mensen eigenlijk niet zo lief zijn. Ik heb gehoord dat het kak is maar ja, we kunnen tijdens de pauze weg. Maak mij maar wakker als ’t gedaan is. Zo van die dingen. Goed hoor, ga maar, denk ik dan. Zet uw teeveetje aan en kijk naar Coppers. Maar diep vanbinnen weent mijn hart. Het is alsof ze met één vuistslag alle tanden uit de mond van mijn kind slaan om er dan een vals gebit in te steken omdat ze dat mooier zouden vinden.
Ik heb de voorbije weken ook ontdekt dat mensen heel graag mierenneuken. Een woord, een komma, een herhaling. Omdat het verhaal gewoon goed is? Omdat er niks anders te vertellen valt? Of omdat ze hun stem nog eens willen laten horen? Ik weet het niet. Ik vind dat je dit alleen mag doen als je zelf relatief weinig fouten typt. Het is als zeggen dat je Coppers beter met een K schrijft omdat dat mooier klinkt. (Oh ja, zijn er mensen die ik de titel even moet verklaren? Of zijn we mee?)

Wie zoekt die vindt fouten. Heel veel fouten. Dingen waar anderen nog niet aan gedacht hadden. Een auto bijvoorbeeld waar je blijkbaar de straat niet meer mee op mag, een crew in een deur, een open einde of een punt. Uw punt. Vooraleer je iets vindt, denk even na om het overboord te zwieren. Geef het eerst een klein zetje, wik en weeg het en beslis dan om het in mijn water te smijten. Mijn kinderen zijn nog in volle bloei. Ze hebben nog groeipijnen, ja. Ze moeten nog leren om perfect te zijn, te volharden. Geef hen die tijd (en wees alsjeblieft ook kritisch voor wat er op je scherm verschijnt). En als je geen geduld hebt, maak er dan zelf één. Een beter. Niemand staat je in de weg en ik zeker niet. Maak je punt, maar laat mij niet met vraagtekens achter anders ben ik tijdens de pauze weg.
Ik hoop dat Lynch zijn films nooit heeft moeten uitleggen. Dat zou afbreuk doen aan zijn talent. Om maar te zeggen: de zoon heeft het gedaan. Hij heeft het zelf gezegd. En ik ben er ontzettend trots op. Op dat stuk, he. Het is dan ook een topstuk. Punt.

Tijd voor mindfulness.

Belgica

2015 was een topjaar voor de Vlaamse film. Dat maakte deredactie.be bekend op de laatste dag van dat jaar. Als actrice kan ik daar alleen maar blij om zijn. Zo is er nog meer werkgelegenheid voor telkens dezelfde namen. Vreemd genoeg blijkt elke Vlaamse film die op het witte doek verschijnt de beste te zijn. Eerst was De zaak Alzheimer niet te evenaren, hoewel ik mij niet meer kan herinneren waarover die film ging. Daarna was de testosteron van Loft nog nooit gezien, ook The Broken Circle Breakdown werd unaniem getipt als topfilm en nu Belgica. Maar is dat ook echt zo?

Als auteur in opleiding ben ik dagelijks bezig met het zoeken naar een goed verhaal. Het vermijden van clichés is topprioriteit, evenzeer het net lang genoeg verzwijgen van iets om er dan helemaal mee uit te pakken. Maar wat ik het allerbelangrijkste vind is een sterk einde bedenken. Of je het verhaal nu afrondt of open laat, het einde mag geen gemakkelijke oplossing zijn. En laat het ons alstublieft niet van kilometers ver zien afkomen. Het einde kan je verhaal, hoe sterk het al dan niet is opgebouwd, volledig ruïneren. Ik vind dat Vlaamse scenarioschrijvers meestal niet slagen in die briljante eindigheid.

Gisteren zag ik Belgica van Felix Van Groeningen. Wat de recensies verkondigen, dat klopt. De film is een trip. Als kijker word je door een goeie soundtrack, sterke spelers en geweldige beelden volledig meegezogen. Maar daar stopt het. Het verhaal heeft weinig om het lijf, het einde is wat de modale Vlaming graag ziet. Maar ik niet.

Laat nu juist Netflix, waar je de betere reeksen kan bekijken, ‘onze’ Belgica wereldwijd verspreiden. Top! Natuurlijk! Maar als je de scenarioschrijvers van Breaking Bad of Fargo dit script laat lezen, zullen ze eens glimlachen en denken: ‘They’ll never learn’. De eerste dialoog klonk veelbelovend. Grappig, zelfs ontroerend en, ik moet het erbij vermelden, gespeeld door een onbekend gezicht. Daarna liet het script zich vangen aan, wat ik noem, het typisch Vlaams cinemasyndroom. We durven niks, we laten vooral heel weinig zien en we eindigen in commerciële schoonheid.

Als je met zo’n beestig logo; in zo’n rauwe, zweterige, cocaïneverslaafde, pafferige, vuile, bierzuipende beelden amper twee tetten en een tongzoen laat zien én het op z’n Vlaams laat eindigen, vind ik dat je een pak kansen hebt laten liggen. Geen wauw, wel een nou. En dat van een vrouw.