Categorie archief: Moeilijk te definiëren

omdat het zo moet zijn

hij breekt een arm op zijn eerste officiële werkdag
zij rijdt vandaag met de vuilniswagen
hij lacht groen als iemand zijn paarse haar becommentarieert
zij neemt het vliegtuig naar een eco boerderij
hij morst wijn op een theedoek
zij staat te wachten op een taxi die onder file bezwijkt
hij vergat een blaadje papier
zij krijgt haar regels op een wettelijke feestdag
hij laat het leven terwijl hij doodeerlijk was
zij jaagt, maar eet uit principe geen vlees
soms is ’t koud in Zakynthos

stel hier maar geen vragen bij
want eigenlijk
weet je al waarom

dat citroentje in mijn glas

ze zeggen dat ik dramatisch kan zijn
dat is zo
dat wordt al eens veroorzaakt

bijvoorbeeld
als iemand mij pijn doet, dan huil ik
en ik flip als ik tegenstrijdigheid de hand schud
tegen loslaten zeg ik daarom laat vaarwel
ook van onrecht word ik affreuze Antigone
of van wetten en regels die thuiskomen van een dronken avond
en oh ja, ik kan wel eens doordrammen over een woord

gelukkig klaag ik niet
over dat citroentje in mijn glas
of over ijsblokken die toch voor me smelten
want dat

dat zou ik pas echt onmenselijk vinden

staat van ontbinding

hoe snel raakt een huid
van ’t onverharde pad af
het struikelt over drempels heen
een afdruk op broeierig beton

als een felle brand laai ik op
met trillend ooglid schiet de lucht
een passionele pluim omhoog
blaas me maar positief

mijn vlees ligt op jouw rooster
draai mij om bekijk en wakker me
als een barbecue die ergens geurt
zo ben ik heerlijk
onmogelijk te lokaliseren

warm water

‘Hebde nen thee? Ne gewonen thee?’
‘Ja, earl grey of English breakfast.’
‘Nee, nen thee zonder iets.’
‘Met citroen?’
‘Nen thee zónder iets.’
Warm water, denk ik dan. ‘Ik vrees dat ik u niet kan helpen.’
Zucht. ‘Pakt dan maar ne koffie verkeerd.’

Bij de afrekening:
‘Uwe koffie proeft naar water!’

Perfect, denk ik dan.

flessengeluk

als alle glazen gevuld
een oog verdrinkt in het andere
de tongen loslippig

breng ik de lege bakken down under

met voorbedachten rade daal ik de trap af
betast de muren knip het licht
met open mond staren ze me aan
ik zwijg en grijp ze zacht bij de keel
een voor een 
de halzen glijden tussen mijn vingers
het zweet als dauw op hun toenmalige kroon 
gewillig leggen ze zich neer 

bij de plek die ik hen toewijs

hoe heet een volle bak met lege flessen

die in blond en donker licht verkeert

kan iets vol en leeg zijn tegelijk
of ademt een buik altijd zo glansrijk

over winter

de nacht strijkt onze plooien
glad ik glunder als vanouds
ik schaats het krieken in
en uit en maak opnieuw
groeven in haar huid

een kers op de kaak
sneeuw als sproeten op de weg
of hoe het zout een
zoete wonde werd

ik kijk over winter heen
zo ver als ik maar kan
een wit tapijt als rode loper
‘k neem je dapper bij de arm
en fluister

na de wolken wordt het
toch weer warm

raaklijn

als een warm oord lig je
uitgestrekt op mijn kaart
ik tik je aan dans een rondje

om je heen

daar wil ik landen zeg ik
je kussen à la carte
‘k wil je als een oceaan omringen
en happen naar jouw hart

de andere kant van de wereld
is soms maar een vinger ver
rek je uit en wijs naar me
wij raken elkaar

bijna aan